Taalproblemen & -stoornissen

Onze taal bestaat uit verschillende onderdelen: taalvorm, taalinhoud en taalgebruik. Dit zoals woordenschat, zinsbouw en het begrijpen van zinnen. Deze worden in zowel een actieve als passieve vorm toegepast in onze taal. Hierbinnen kunnen er zich verscheidene problemen voordoen. Er is sprake van een taalprobleem/-stoornis wanneer een kind op gebied van taal in belangrijke mate achterblijft of wanneer de taalontwikkeling anders verloopt dan bij leeftijdsgenootjes.   U kan bij mij terecht voor:
  • Taalachterstand: Kinderen met een taalachterstand vertonen problemen met de taalontwikkeling ten gevolge van een ander/oorzakelijk probleem. Denk maar aan kinderen met autisme, syndroom van Down, gehoorprobleem, …
  • Vertraagde taalontwikkelingsstoornis: Het taalniveau van het kind komt overeen met dat van lagere leeftijden. Deze kinderen doorlopen alle fasen, maar dit gebeurt vertraagd.  De meesten halen deze achterstand nog in met aangepaste logopedie.
  • Gestoorde taalontwikkelingsstoornis/dysfasie: Bij deze stoornis verloopt de taalontwikkeling niet alleen trager. Ze verloopt in vergelijking met leeftijdsgenootjes ook afwijkend. Een gespecialiseerde aanpak is hierbij noodzakelijk.
  • Ouderbegeleiding m.b.v. het programma ‘Taalmaatjes’. Dit is een oudercursus waarbij er samen met de ouder(s) op een laagdrempelige manier aan de slag gegaan wordt om de communicatie en taal van het kind in de dagdagelijkse thuissituatie te stimuleren. Dit kan ook via telelogopedie.
Opgelet: Taalproblemen ten gevolge van gehoorproblemen of een lage intelligentie komen niet in aanmerking voor terugbetaling via de mutualiteit. Daarnaast wordt er vanuit het ziekenfonds ook geen tussenkomst voorzien bij het behandelen van een zuivere spreekangst. Indien er onderliggende problemen/stoornissen zijn, kan dit wel.  

Signalen van een TOS/dysfasie:

Begrip

  • Niet of onvoldoende begrijpen wat anderen zeggen
  • In een omgeving met veel rumoer wordt taal moeizaam begrepen
  • Moeite met het begrijpen van schriftelijke taal

Productie

Verstaanbaarheid:

  • Moeilijk verstaanbaar
  • Uitspraakfouten (fonologische spraakklankstoornissen)
  • Woordenschat en woordvinding:
    • moeizame opbouw van woordenschat
    • beperkte woordenschat.
    • moeite met onthouden van nieuwe woorden
  • Woordvindingsmoeilijkheden (moeite om op een woord te komen)

Zinsbouw:

  • Moeizame zinsontwikkeling
  • Zinnen zijn erg kort. Woorden worden weggelaten
  • Zinnen vertonen woordvolgordefouten
  • Fouten tegen werkwoordvervoeging, verbuigingen (vb. meervoudsvormen) en correct gebruik van lidwoorden (vb. de of het), voornaamwoorden (vb. hij/zij, haar/zijn, hem/haar)

Communicatie:

  • Moeite met beurtgedrag
  • Niet bij het onderwerp blijven
  • Moeite met het vertellen van een verhaal of gebeurtenis
  • Moeite met het onder woorden brengen van gevoelens

Ontwikkelingsschema (minimum spreeknormen):

0-1 jaar:  

  • Huilen, lachen en kraaien
  • Spelen met de stem, lippen, tong en gehemelte (‘Ah’, ‘Eh’)
  • Luisteren naar de stem van mama en kijken naar de mond
  • Brabbelpatronen worden steeds langer en ingewikkelder (‘Baba’, ‘Dadada’)
1 jaar: 
  • Veel en gevarieerd brabbelen
  • De klanken zijn afhankelijk van de voorkeur voor het bewegen van de tong, lippen of het gehemelte 
  • Brabbelen wordt steeds meer een manier om contact te maken
1-1,5 jaar: 
  • Het kind kent minstens 5 woordjes (vb. ‘mama’, ‘papa’ of ‘eten’)
  • De woordopbouw is nog onvolledig (vb. ‘taat’ voor ‘paard’, ‘papu’ voor ‘paraplu’)
  • De verschillende klanken kunnen nog ‘neuzig’ (nasaal) klinken
  • Zowel orale als nasale klanken komen voor 
2 jaar: 
  • Het kind spreekt in zinnen van 2 woordjes (vb. ‘koek hebben’, ‘poes ook’, …) 
  • De woordopbouw is vaak onvolledig (‘stoel’ = ‘toe’, ‘boterham’ = ‘boram’, …) 
  • Verschillende klanken kunnen nog ‘neuzig’ (nasaal) klinken 
  • Zowel orale als nasale klanken komen voor 
  • Het kind gebruikt voornamelijk 2-woorduitingen, maar brabbels en 1-woorduitingen kunnen ook nog steeds voorkomen 
3 jaar: 
  • Het kind spreekt in zinnetjes van 3 – 5 woorden 
  • De zinnetjes hebben nog weinig grammaticale structuur 
  • De opbouw van de zinnen wijkt nog sterk af van die van volwassenen (vb. ‘Ik ben vallen niet’)
  • De opvallende nasaliteit is nu meestel verdwenen 
  • 50-70% van wat het kind op deze leeftijd zegt, is verstaanbaar voor anderen 
 4 jaar:
  • Het kind spreekt in enkelvoudige zinnetjes 
  • De zinsbouw is al beter, maar er zijn vaak nog problemen met het meervoud en de vervoegingen van het werkwoord (vb. Ik loopte buiten in de tuin’) 
  • 75-90% van wat het kind zegt is verstaanbaar voor anderen 
  • Bij ‘verstaanbaarheid’ moet je vooral denken aan het helder en duidelijk uitspreken van woorden 
5 jaar 
  • Het kind gebruikt nu goedgevormde (ook samengestelde) zinnen 
  • De zinslengte en woordvolgorde lijken steeds meer op de taal van volwassenen 
  • Het taalgebruik is vaak nog zeer concreet 
  • Meer dan 90% van wat het kind zegt, is verstaanbaar